******************************************************************************************************
Indien u dit kunt lezen wordt de onderstaande nieuwsbrief niet correct door uw mailprogramma getoond.
Een correcte HTML weergave van deze nieuwsbrief kunt u zien door het hiernavolgende webadres te kopiŽren
en vervolgens te plakken in uw webbrowser:
http://www.emailnieuwsbrieven.nl/sbo/EcoFys/showarch.asp?LijstID=1123&BriefID=2131&Persoonid=[SysPersoonID]
******************************************************************************************************
 
Nr. 5
27 januari 2004
Inhoud

- Publicatie Toewijzingsplan half februari
- Rekenformules vastgesteld
- Ruim plafond in eerste periode emissiehandel
- Goedkeuring Nederlands voorstel 25 ton-grens onzeker
- Commissie verduidelijkt eisen toewijzingsplannen
- Verenigd Koninkrijk eerste met ontwerp-toewijzing
- NEa, de spil in de emissiehandel

Met de afspraken tussen bedrijfsleven en overheid over het CO2-emissieplafond voor de Nederlandse industrie voor de periode 2005-2007 is de weg nu vrij voor voltooiing van het Toewijzingsplan. De verwachting is dat het ontwerpplan half februari wordt gepubliceerd, hetgeen tevens de start is van de inspraakprocedure.

"De belangrijke zaken zoals de rekenregels en de plafonds zijn nu door de werkgroep vastgesteld", zegt Paul van Slobbe, projectleider van het Toewijzingsplan. Momenteel wordt nog gewerkt aan de laatste toetsing en bijstelling van toewijzing van emissierechten aan individuele bedrijven.

Van Slobbe zal aanstaande donderdag tijdens het
Congres CO2-NOx-emissiehandel schetsen hoe de akkoorden tot dusverre tot stand zijn gekomen en zal daarbij ook een voorschot nemen op de periode van de komende maanden. "Ik geloof dat we een goed en werkbaar akkoord hebben bereikt, met haalbare plafonds, voldoende emissieruimte voor groei en nieuwkomers en waarbij we rekening hebben gehouden met de bestaande energieconvenanten", aldus Van Slobbe.

Het Congres CO2-NOx-emissiehandel van aanstaande donderdag in het Rotterdamse World Trade Centre zal de primeur hebben van de vastgestelde formules voor berekening van de aan bedrijven toe te wijzen emissierechten.

De rekenregels gaan uit van de historische emissies in 2001 en 2002 en de verwachte groei voor de periode 2003 tot en met 2006. Deze gegevens van de historische emissies die bedrijven in de afgelopen twee maanden hebben ingeleverd, worden momenteel nog geverifieerd. Bedrijven die al eerder maatregelen namen en dus al relatief efficiŽnt met energie omgaan, worden daarvoor beloond met een 'efficiencygraad', een vermenigvuldigingsfactor die hoger is naarmate meer 'early actions' zijn ondernomen.

Om ervoor te zorgen dat het totaal van alle berekende emissies onder het toegestane plafond blijft, wordt de emissie per bedrijf nog gecorrigeerd met de 'allocatiefactor'. Uit dit plafond (afgeleid van de 115 miljoen ton CO2 per jaar, die betrekking heeft op alle industriŽle CO2-emissies, zie elders in deze Nieuwsbrief) moet ook nog de reservering komen voor nieuwkomers op de emissiemarkt. Deze reservering is nog niet vastgesteld. Nu nog onbekende nieuwe bedrijven die onder het Europese emissiehandelssysteem gaan vallen, krijgen te zijner tijd uit dit reservepotje rechten toegewezen, op soortgelijke wijze als de toewijzing nu plaatsvindt.

Bovenstaande rekenmethodiek wordt toegepast op alle emissies uit verbrandingsinstallaties en warmtekrachtinstallaties en –centrales. De procesemissies zijn gekoppeld aan de fysieke productie en worden niet beÔnvloed door efficiencymaatregelen.

Wil Nuijen van Novem zal tijdens het congres de rekenmethodiek uit de doeken doen en deze illustreren aan de hand van een voorbeeld. De gedetailleerde rekenregels zullen in de congresmap aan alle deelnemers worden uitgereikt.

Het compromis tussen de overheid en het bedrijfsleven over het totale emissieplafond voor CO2 biedt ruimte voor een groeiende emissie bij de deelnemers aan het emissiehandelssysteem in de eerste handelsperiode 2005-2007. Nederland is daarmee een van de weinige landen in de EU die deze ruimte kunnen bieden.

Op 13 januari kwam minister Brinkhorst van EZ, staatssecretaris Van Geel van Milieu en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven (industrie en energiesector) overeen dat het plafond voor de eerste handelsperiode van 2005 tot en met 2007 jaarlijks op 115 miljoen ton wordt gesteld. Dat is zes Mton meer dan ECN en RIVM voor 2005 verwachten in een recente
studie. Dit plafond moet daarna afnemen naar 112 Mton in 2010, precies het niveau van de referentieraming van ECN en RIVM. Dit is bedoeld om de bijdrage van de sector industrie aan de Kyoto-doelen veilig te stellen.

Op grond van de referentieraming van ECN en RIVM heeft de overheid voor alle sectoren een streefwaarde opgesteld voor de CO2-emissies. In totaal tellen die op tot 186 miljoen ton CO2 in 2010, wat volgens de Kyoto-afspraak de Nederlandse binnenlandse uitstoot in 2010 mag zijn. Omdat Nederland ook reductiemaatregelen neemt in het buitenland en in andere broeikasgassen dan CO2, daalt de totale broeikasgasemissie met 6% - volgens Kyoto-afspraak.

Voor de transportsector is de streefwaarde 38 miljoen ton (3 Mton meer dan in 2000), voor landbouw 7 Mton (1 Mton minder) en voor gebouwen en woningen 29 Mton (3 Mton minder). Vier ministeries zullen verantwoordelijk zijn voor de Kyoto-prestaties in elk van de vier sectoren, te weten respectievelijk VenW, LNV, VROM, en EZ.

Vergelijking met het buitenland leert, dat de industriŽle sectoren aldaar vaak al in de eerste handelsperiode al te maken krijgen met een dalend plafond. "Dat heeft natuurlijk te maken met de aankopen van de Nederlandse overheid van CO2-reducties in het buitenland. Maar ook met het feit dat de Nederlandse industrie al zo efficiŽnt is", aldus Jeroen Brinkhoff van Economische Zaken, die in de afgelopen weken veel internationale besprekingen over emissiehandel heeft gevolgd. "De Europese Commissie heeft al aangekondigd dat zij ons allocatieplan met aandacht zal volgen."

Het is nog niet zeker dat het voorstel van de Nederlandse regering om inrichtingen met emissies van minder dan 25.000 ton CO2 uit te sluiten van emissiehandel, wordt goedgekeurd door de Europese Commissie.

"We hebben met verschillende lidstaten gesproken, en iedereen begrijpt ons voorstel", aldus Jeroen Brinkhoff van EZ. "Veel landen zitten met hetzelfde probleem. Maar er zijn nu geen signalen dat ons voorstel voor een minimumgrens binnen de richtlijn valt. We zetten ons plan toch door, want bij gedwongen deelname van dergelijke 'kleine' emitters is niemand gebaat." Als de Europese Commissie echter anders besluit, zullen ook de kleine Nederlandse bedrijven mee moeten doen aan emissiehandel.

Andere landen ontlopen het probleem van de kleine installaties deels door zich te beroepen op andere definities van de 'verbrandingsinstallaties' die onder de emissiehandels-richtlijn zouden vallen. "Eigenlijk een foutje bij het opschrijven en vertalen van de richtlijn", legt de EZ-ambtenaar uit. "Het probleem speelt ook alleen maar voor de eerste handelsperiode, voor 2008 wordt dit foutje wel hersteld."

Frankrijk denkt van het 'foutje' te kunnen profiteren en hanteert de smalste definitie: alleen verbrandingsinstallaties in de energiesector hoeven mee te doen. "Maar daarover heeft de Europese Commissie al het 'onaanvaarbaar' uitgesproken", zegt Brinkhoff. "Toch zijn ze het wel al in de Franse wet aan het opschrijven." Landen als Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en ItaliŽ stellen dat alleen verbrandingsinstallaties die leveren aan derden onder het systeem zullen vallen. "Dus fornuizen in de industrie meestal niet. Dat betekent dat in Duitsland 2600 inrichtingen onder het systeem vallen, in plaats van wellicht het dubbele daarvan." EZ en VROM voeren nu gesprekken om de Europese Commissie ertoe te bewegen andere lidstaten te dwingen de meest brede definitie toe te passen, Zoals Nederland zelf en enkele Lidstaten al doen. Maar succes daarbij is onzeker.

Begin januari heeft de Europese Commissie een 'Richtsnoer' (Guidance) gepubliceerd voor eisen aan de nationale plannen van toewijzing van emissierechten. Hiermee wil de Commissie de plannen verder harmoniseren, zodat er geen onterechte concurrentievoordelen of –nadelen ontstaan door invoering van emissiehandel.

Het Richtsnoer bevat een aantal opvallende zaken. Zo mogen warmtekracht en stadsverwarming ruimer worden bedeeld. Overheden mogen ook zelf kiezen hoe nieuwkomers en uitbreidingen aan hun rechten komen: veilen of gratis uitdelen uit een gereserveerde 'pot', zoals Nederland wil doen.

Tevens staat in het Richtsnoer dat landen die kernenergie gaan afschaffen (zoals BelgiŽ en Duitsland) extra emissierechten mogen geven wanneer deze kernenergie door elektriciteitsopwekking met fossiele brandstoffen wordt vervangen. Met een meer duurzaam energiebeleid zouden juist weer minder emissierechten beschikbaar moeten zijn.

Veel van de eisen in het Richtsnoer waren al eerder bekend. De meeste eisen worden nu al verwerkt in het ontwerp-Toewijzingsplan van Nederland.

Vorige week had het Britse ministerie van Milieu (Defra) de primeur om als eerste Lidstaat in de EU een ontwerp-toewijzingsplan te publiceren.

Met het plan is tevens een lijst van circa 1500 Britse bedrijven gepubliceerd, met een indicatie van de hoeveelheid emissierechten die zij krijgen toegewezen. In totaal krijgen de deelnemende bedrijven in de jaren 2005-2007 jaarlijks bijna 239 miljoen ton aan CO2-emissierechten toegewezen, 46% van de totale Britse uitstoot. Dit bedrag is in overeenstemming met de Britse doelstelling om in 2010 een emissiereductie van ruim 20% ten opzichte van 1990 te realiseren. De Britten zijn daarbij strenger voor zichzelf dan onder de Kyoto-afspraken is afgesproken (12,5% emissiereductie). Er is zo'n 14 miljoen ton CO2-emissierechten (bijna 6% van het totaal) gereserveerd voor nieuwe installaties die onder het systeem zullen vallen, zoals nieuwe warmtekrachtinstallaties.

Opvallend is dat de gehele emissiereductie voor rekening komt van de elektriciteitssector. De resterende industrie hoeft dus geen emissies te reduceren. Reden daarvoor is, aldus het Defra-document, dat de stroomsector slechts beperkt blootstaat aan buitenlandse concurrentie en dat zij relatief goedkope reductiemaatregelen kan nemen.

Het Britse plan bevat geen speciale voorziening voor eerder genomen efficiencymaatregelen (zoals in Nederland). De toewijzing is gebaseerd op emissies in de jaren 1998-2002, met uitzondering van het jaar met de laagste emissie.

Het Britse toewijzingsplan is de eerste in een reeks plannen die in de komende weken kunnen worden verwacht: Nederland (ontwerp medio februari), Duitsland, Frankrijk, BelgiŽ, Oostenrijk en Zweden. Ierland en ItaliŽ zitten in de consultatiefase. De achterhoede wordt gevormd door Griekenland, Portugal, Spanje en de nieuwe Lidstaten (die pas later klaar hoeven te zijn). Alle plannen moeten uiterlijk 31 maart bij de Europese Commissie zijn ingediend.

Bedrijven die aan het systeem van emissiehandel gaan deelnemen, zullen voor de benodigde emissiehandelsvergunning vooral te maken krijgen met de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa).

De NEa is nu nog in oprichting, maar zal daarna als zelfstandig bestuursorgaan worden belast met toezicht en handhaving van de wet- en regelgeving in het kader van CO2- en NOx-emissiehandel. Bedrijven zullen hun vergunning in het kader van CO2- en NOx-emissiehandel (Wet Milieubeheer hoofdstuk 16) bij de NEa moeten aanvragen, terwijl het huidige bevoegde gezag verantwoordelijk blijft voor de overige milieuvergunningen (Wet Milieubeheer hoofdstuk 8). Ook zal de NEa de overdracht van emissierechten registreren. Daarmee neemt de NEa een centrale positie in het systeem voor emissiehandel in.

Bedrijven kunnen nu al terecht bij de NEa om een beoordeling te krijgen voor de wijze waarop de emissies zullen worden gemeten. Een goedgekeurd 'monitoringsprotocol' is de basis voor een vergunning voor emissiehandel in CO2 en NOx. Zonder deze vergunning mag een bedrijf dat valt onder het handelssysteem geen NOx of CO2 uitstoten of in emissierechten handelen.

NEa is ook de instantie die toezicht houdt op de emissiehandel en kan zo nodig sancties opleggen aan bedrijven. Aan het eind van elk jaar moet een inrichting een overzicht geven van de emissies en de verworven emissierechten. Dit emissieverslag moet worden geverifieerd door een geaccrediteerd bureau en daarna worden ingeleverd bij de NEa.

Momenteel beschrijft de NEa haar werkprocessen en stelt de benodigde protocollen op. Zo moeten de ingediende monitoringsprotocollen op uniforme wijze worden gevalideerd. Ook wordt een protocol opgesteld dat dient als handleiding voor de verificatie van emissieverslagen. Voor de samenwerking met bijvoorbeeld het bevoegd gezag voor de wet Milieubeheer en het Openbaar Ministerie worden bestuursovereenkomsten afgesloten.

In de voorbereidingen heeft de NEa communicatie met alle betrokken partijen hoog in het vaandel. In de verschillende werk- en stuurgroepen bijvoorbeeld hebben ook de industrie en het bevoegd gezag voor de wet Milieubeheer zitting. Om bedrijven te informeren organiseert de NEa regelmatig workshops en symposia. Bedrijven worden hierin gestimuleerd te beginnen met het opstellen van hun monitoringsprotocol, zodat iedereen op tijd klaar is voor de start van emissiehandel.

Aanstaande donderdag 29 januari presenteert de NEa zich tijdens het
Congres NOx- en CO2-emissiehandel in het WTC in Rotterdam.

Deze nieuwsbrief wordt aan u verstuurd door de ministeries van EZ en VROM en door VNO-NCW, die gezamenlijk de Kerngroep CO2-Emissiehandel vormen. De nieuwsbrief staat onder redactie van Ecofys Publishing (eindredacteur Rolf de Vos).