******************************************************************************************************
Indien u dit kunt lezen wordt de onderstaande nieuwsbrief niet correct door uw mailprogramma getoond.
Een correcte HTML weergave van deze nieuwsbrief kunt u zien door het hiernavolgende webadres te kopiŽren
en vervolgens te plakken in uw webbrowser:
http://www.emailnieuwsbrieven.nl/sbo/EcoFys/showarch.asp?LijstID=1123&BriefID=2774&Persoonid=[SysPersoonID]
******************************************************************************************************
 
Nr. 8
Inhoud

- Geen grote veranderingen in allocatieplan
- Grenswaarde 25 kiloton veelbesproken
- Pilots voor opstellen CO2-monitoringprotocol
- Extra krediet via buitenlandse projecten mogelijk rond 2007

In een brief aan de Tweede Kamer heeft minister Brinkhorst van Economische Zaken, mede namens staatssecretaris Van Geel van Milieu, een overzicht gegeven van de inspraakreacties op het ontwerp-allocatieplan dat op 27 februari is gepubliceerd, en zijn reactie daarop. Er zijn 137 reacties binnengekomen, die vooralsnog geen aanleiding geven tot grote veranderingen in het allocatieplan, dat begin april naar de Europese Commissie gaat. De inspraak zal een belangrijk onderwerp zijn tijdens een (uitgesteld) debat in de Tweede Kamer over emissiehandel, aanstaande woensdag 31 maart.

Uiteraard betrof een groot deel van de reacties van de bedrijven de uiteindelijke toewijzing van het bedrag aan emissierechten. Op verschillende gronden willen bedrijven meer rechten krijgen toegewezen, vanwege bijvoorbeeld bijzondere situaties in de referentiejaren 2001-2002, vanwege een hogere te verwachten groei dan de sectorale groei die in de rekenregels staat of omdat volgens hen factoren (zoals de efficiencyfactor) verkeerd zijn toegepast. Dat niet alle partijen tevreden zijn vindt de minister "niet zo vreemd, aangezien de generieke rekenregels nooit rekening kunnen houden met alle specifieke omstandigheden en verwachtingen van individuele bedrijven."

In sommige gevallen worden verzoeken gehonoreerd, omdat er bijvoorbeeld sprake is van fouten in de berekening. Maar in het algemeen, zo stelt Brinkhorst, "vind ik het concept-allocatieplan een goed afgewogen plan. Het past binnen de regels van de richtlijn, het is uitvoerbaar, het sluit aan bij de huidige vrijwillige afspraken en het levert een bijdrage aan het behalen van de Nederlandse Kytoto-doelstelling."

Opvallend is dat de inspraakronde nog een aantal nieuwe deelnemers aan het emissiehandelssysteem heeft opgeleverd die nog niet waren aangeschreven, zoals enkele ziekenhuizen en universiteiten. Belangrijk onderwerp in de inspraakronde was ook de 25 kiloton-grens (zie elders in deze nieuwsbrief) en de korte periode die voor de inspraak was gereserveerd.

De bezwaren tegen het allocatieplan zijn soms ook fundamenteel van aard. Sommige bedrijven, zoals uit de energiesector, vinden nog altijd dat het allocatieplan geen recht doet aan de afspraken en prestaties in het verleden. In zijn brief pareert Brinkhorst deze kritiek door erop te wijzen dat het allocatieplan in nauw overleg met het bedrijfsleven en provincies is opgesteld.

Veel bedrijven spreken ook hun verontrusting uit over de dreiging van een hogere elektriciteitsprijs, omdat elektriciteitsbedrijven de kosten van de emissiehandel wellicht zullen afwentelen op de klant. Brinkhorst belooft in de brief prijsstijgingen in de gaten te houden en zo nodig acties in Europees verband te nemen.

Ook vrezen bedrijven dat zij zuiniger emissierechten krijgen toegewezen dan concurrenten in het buitenland. Dat zou onder andere kunnen gebeuren door per land verschillende interpretaties van de Richtlijn, onder andere over welke typen installaties onder de reikwijdte van de Richtllijn vallen. Brinkhorst benadrukt dat hij, samen met staatssecretaris Van Geel van VROM, zal waken voor een eenduidige interpretatie van de definities, zoals hij die nu zelf heeft gevolgd. Overigens krijgen alle landen na 31 maart – de officiŽle deadline voor inleveren van de nationale allocatieplannen bij de Europese Commissie – de gelegenheid elkaars plannen te bekritiseren.

In de inspraakronde verwijzen veel bedrijven naar de grenswaarde van 25 kiloton CO2-emissies per jaar. Zo willen veel bedrijven die onder deze grens zitten, weten hoeveel rechten zij krijgen toegewezen als zij van de Europese Commissie tůch aan het handelssysteem moeten deelnemen.

De Nederlandse overheid wil bij de Europese Commissie beijveren dat bedrijven met lagere CO2-emissies dan deze grenswaarde buiten het handelssysteem mogen blijven, vooral vanwege de relatief hoge administratieve lasten en de geringe milieubaten. Van de 350 bedrijven die onder het handelssysteem zouden moeten vallen, zitten 150 bedrijven onder deze grens. Hun totale emissie bedraagt ongeveer 1 Mton per jaar, dus ongeveer 1% van de totale emissie die onder het handelssysteem valt. Niettemin hebben bijna dertig van deze bedrijven aangegeven dat ze volgend jaar toch aan emissiehandel mee willen doen, mede omdat onzeker is of ze in de tweede handelsperiode (vanaf 2008) ook nog een uitzonderingspositie kunnen krijgen.

De oorspronkelijke methode die de Nederlandse overheid aan de Europese Commissie wilde voorstellen om de kleinere emitters buiten het systeem te houden, stuit echter op formele bezwaren bij de Commissie over de toepassing van een grenswaarde. Dit voorstel zou namelijk betekenen dat de Richtlijn zou moeten worden veranderd, zo bleek bij eerste besprekingen.

Brinkhorst wil nu gebruikmaken van de 'opt-out' optie in de Richtlijn. Deze maakt het mogelijk individuele bedrijven of groepen uit te zonderen van het handelssysteem. Brinkhorst wil een collectieve opt-out voorstellen, waarbij bedrijven nog wel aan monitoringverplichtingen moeten voldoen. Als ook dat voorstel wordt afgewezen, krijgen de betreffende bedrijven alsnog rechten toegewezen. In de brief aan de Tweede Kamer staat dat deze bedrijven dan ook gelegenheid tot inspraak zullen krijgen.

Een achttal bedrijven in Nederland heeft inmiddels proefprotocollen opgesteld voor de monitoring van CO2 (in combinatie met NOx). De ervaringen zullen worden gebruikt in de voorlichting aan bedrijven die onder de handelssystemen voor CO2 en NOx gaan vallen.

"Een aantal bedrijven is inmiddels ver gevorderd", zegt Wilco van der Lans van Royal Haskoning, dat namens het ministerie van VROM de bedrijven begeleidt. "Binnenkort volgt de finale beoordeling of validatie van de protocollen die de bedrijven indienen. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) in oprichting voert deze validatie uit aan de hand van een validatieprotocol."

Eerder al werden soortgelijke monitoringprotocollen opgesteld ten behoeve van het aankomende handelssysteem voor NOx-emissies. Het monitoren van CO2 is vergelijkbaar met dat van NOx en vertoont vaak grote overlap, maar er is een aantal kenmerkende verschillen. "Voor veel bedrijven is CO2-monitoring relatief eenvoudig", legt Van der Lans uit. "Voor verbrandingsemissies is het brandstofgebruik de basis. Met een emissiefactor is de uitstoot dan uit te rekenen. Het monitoren van NOx is echter in veel gevallen gecompliceerder omdat daarbij ook de procesomstandigheden een belangrijke rol spelen. Daar moet je toch kijken wat er werkelijk uit de schoorsteen komt, of je moet werken met specifieke kengetallen."

Bedrijven die straks CO2- en NOx-monitoringprotocollen gaan opstellen, kunnen hun voordeel doen met de protocollen die op dit moment worden opgesteld. De informatie uit de pilots komt omstreeks juni beschikbaar als toelichting op het pakket van eisen, waaraan bedrijven moeten gaan voldoen. Dit komt dan ook beschikbaar op de
site van de Nederlandse Emissie-autoriteit in oprichting. "Het wordt een soort werkboek voor de bedrijven. Er komen bijvoorbeeld tabellen in die bedrijven kunnen invullen", licht van der Lans toe. Om ervoor te zorgen dat de resultaten voor een breed scala aan bedrijven bruikbaar zijn, zijn er voor de pilots verschillende typen bedrijven gekozen, variŽrend in omvang en complexiteit."Onder de bedrijven is een raffinaderij, een grote warmtekrachtcentrale en een relatief eenvoudige aardgasverbruiker", zegt Van der Lans.

"De opgestelde proefprotocollen die er uit voortkomen zijn niet zomaar over te nemen, want het is per bedrijf echt maatwerk. Wel kunnen bedrijven zien hoe een monitoringprotocol er uitziet en hoe ze de benodigde monitoringssystematiek en het daarbij behorende datamanagement en interne kwaliteitsborging kunnen vormgeven. Dat scheelt tijd en geld", aldus Van der Lans.

Bedrijven krijgen wellicht over enkele jaren de gelegenheid om extra emissierechten te verwerven door projecten in ontwikkelingslanden (CDM projecten) of landen in Oost-Europa (JI projecten) uit te voeren. Daarover valt naar verwachting in april een Europees besluit.

Het Europese Parlement, de Commissie en de Europese Raad van milieuministers zijn nog in discussie over de voorwaarden waaronder bedrijven extra krediet kunnen opbouwen met dergelijke projecten in het buitenland. "Het is de bedoeling dat de mogelijkheid al in de eerste periode (2005-2007) ontstaat", aldus Maurits Blanson-Henkemans, die namens Economische Zaken aan de discussies deelneemt. "Maar als het besluit inderdaad rond april valt, moet de wet nog worden aangepast en moet ook een registratiesysteem voor dit soort projecten worden opgezet. Het zou mooi zijn als rond 2007 de bedrijven deze extra mogelijkheid krijgen door reducties van CDM projecten in te zetten." JI-projecten zullen pas vanaf 2008 mogelijk worden.

Er wordt nu gewerkt aan de Europese Richtlijn die de link legt tussen het Europese emissiehandelssysteem en de zogenaamde 'Kyoto-mechanismen' Joint Implementation (JI, vooral broeikasgas-projecten in Oost-Europa) en Clean Development Mechanism (CDM, in ontwikkelingslanden). Dat kan tot voordeel van bedrijven strekken, omdat de prijs per ton CO2 voor dergelijke projecten – nu rond de 5 € per ton - naar verwachting een stuk lager zal zijn dan die van maatregelen in de EU zelf. De Richtlijn zal in het algemeen de Europese marktprijs voor een ton CO2 kunnen drukken.

"Er zijn nu nog verschillende punten van discussie", aldus Henkemans. "Het gaat onder andere om kwaliteitseisen voor dergelijke projecten en ook over de vraag of er een beperking moet komen aan het totale bedrag aan CO2-emissies dat op deze manier kan worden 'ingekocht'." Het Europees Parlement wil dat per land en per installatie wordt vastgesteld hoeveel aan JI en CDM mag worden ingekocht. De lidstaat moet dus per installatie aangeven hoeveel een bedrijf aan JI- en CDM-reducties mag gebruiken. Nederland wil een simpel geharmoniseerd Europees systeem, met eventueel een uniform plafond voor JI/CDM per installatie maar geen differentiatie per land. Daarover valt in april een besluit.

Volgens de EZ-ambtenaar vergroot de link de mogelijkheden voor bedrijven aanzienlijk: "Het is vooral aantrekkelijk voor bedrijven die veel rechten nodig hebben of voor bedrijven met vestigingen buiten de EU. Het is ook niet heel ingewikkeld. Onder de vlag van de Kyoto-afspraken zijn procedures afgesproken die we kunnen overzetten. Het is zelfs mogelijk dat we dit gaan toestaan als de Kyoto-afspraken uiteindelijk niet in werking treden. Nederland pleit daarvoor binnen de EU." Daarvoor is nu ook steun van het Europees Parlement.

Er worden nu al JI- en CDM-projecten uitgevoerd, die voornamelijk betaald worden door nationale overheden zoals Nederland en Oostenrijk. Deze landen willen hiermee een deel van hun emissiereducties realiseren. Als de nieuwe Richtlijn er door komt, gaan bedrijven zelf dus ook die markt op om emissierechten te kopen. "Ten aanzien van de projecten ontstaat dan dus concurrentie, maar daarin zie ik geen probleem", aldus Henkemans. "Het mooie is dat ontwikkelingslanden en Oost-Europa zelf ook gebaat zijn met dit soort projecten."

Deze nieuwsbrief wordt aan u verstuurd door de ministeries van EZ en VROM en door VNO-NCW, die gezamenlijk de Kerngroep CO2-Emissiehandel vormen. De nieuwsbrief staat onder redactie van Ecofys Publishing (eindredacteur Rolf de Vos).