******************************************************************************************************
Indien u dit kunt lezen wordt de onderstaande nieuwsbrief niet correct door uw mailprogramma getoond.
Een correcte HTML weergave van deze nieuwsbrief kunt u zien door het hiernavolgende webadres te kopiŽren
en vervolgens te plakken in uw webbrowser:
http://www.emailnieuwsbrieven.nl/sbo/EcoFys/showarch.asp?LijstID=1123&BriefID=4859&Persoonid=[SysPersoonID]
******************************************************************************************************
 
Nr.20
23 december 2004
Inhoud

De tiende klimaatconferentie (COP 10) legde een belangrijke basis voor het klimaatbeleid na 2012. Staatssecretaris Van Geel had gehoopt op meer, maar vond het een stap vooruit.

Ruim 6.000 vertegenwoordigers van overheden, NGO's en de Verenigde Naties kwamen vorige week bij elkaar om gesprekken te voeren over het toekomstige klimaatbeleid. Voor het eerst werd er gediscussieerd over het beleid na 2012, als het Kyoto-protocol afloopt. De gesprekken worden in mei 2005 voortgezet tijdens een aparte informele bijeenkomst in Bonn. "We hebben stevig onderhandeld", zegt Van Geel. "Het resultaat is minder dan gehoopt, maar wel een stap vooruit. Het Kyoto-protocol is nog maar het begin, er zijn verdergaande maatregelen nodig om de oorzaken en de ernstige gevolgen van klimaatverandering aan te pakken."

Ook andere landen, in het bijzonder de Verenigde Staten, zullen volgens Van Geel hun bijdrage moeten leveren. "Ook de snel groeiende ontwikkelingslanden, zoals India en China, moeten bij het proces worden betrokken. Zij zijn in toenemende mate verantwoordelijk voor de uitstoot van broeikasgassen. Daarvoor is het van belang om de klimaatdiscussie te verbreden naar energievoorziening en luchtverontreiniging en deze ontwikkelingslanden te helpen de energievoorziening duurzamer te maken", aldus van Geel. Na afloop van de conferentie zouden de VS hebben toegezegd in mei naar Bonn te komen.

Op de klimaatconferentie ondertekende Van Geel samenwerkingsovereenkomsten in het kader van CDM-projecten. Het gaat om de aankoop van vijftien miljoen ton CO2-rechten uit BraziliŽ, vijf miljoen ton uit ArgentiniŽ en vijf miljoen ton uit Ecuador. In totaal mag Nederland honderd miljoen ton CO2-reductie realiseren in het buitenland.

Van Geel vindt dat rijke landen het goede voorbeeld moeten geven en verantwoordelijkheid moeten nemen. Daarom stond op de Europese milieuraad van 20 december het toekomstig klimaatbeleid weer op de agenda. Half januari presenteert de Europese Commissie een kosten-en-batenstudie over het toekomstig klimaatbeleid. Op de Europese Voorjaarsraad in maart spreken de regeringsleiders over het klimaatbeleid na 2012.

Op verzoek van de Tweede Kamer heeft staatssecretaris Van Geel van VROM toegezegd dat bedrijven met relatief lage stikstofoxide-emissies niet hoeven mee te doen aan het handelssysteem voor NOx, dat medio 2005 van start gaat.

Van Geel deed de toezegging tijdens de behandeling van de wet op de NOx-emissiehandel door de Tweede Kamer op 8 december. Overeenkomstig de mogelijkheid die bij de CO2-emissiehandel wordt geboden aan kleine emitters, krijgt de NOx-emissiehandel ook een 'opt-out'. "En dat is een goede zaak, want in sommige gevallen wegen de administratieve lasten niet op tegen de winst die emissiehandel kan bieden", zegt Wiel Klerken, secretaris Milieu van VNO-NCW. Welke bedrijven precies in aanmerking komen voor deze vrijwillige opt-out is nu nog niet bekend. "Daarover vinden nu nog besprekingen plaats."

Het is wel duidelijk dat er aan een paar criteria moet worden voldaan. Evenals bij de opt-out voor kleine bedrijven in de CO2x-emissiehandel, mag de totale emissie van de betrokken bedrijven bij NOx niet groter zijn dan 1 Š 2 % van de totale industriŽle emissies. Het uitzonderen van deze bedrijven mag het handelssysteem niet ondergraven. Het gaat dus om bedrijven waarvoor de administratieve lasten relatief hoog zijn ten opzichte van de winst die ze kunnen halen uit het handelssysteem. "Maar uiteraard mogen de bedrijven, als ze willen, wel gewoon meedoen", zegt Klerken.

Een definitief besluit over de criteria voor de opt-out zal begin volgend jaar worden genomen. Een en ander zal niet leiden tot vertraging in de invoering van het handelssysteem. "De wet is nu met algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen en moet nu nog door de Eerste", aldus Chris Dekkers van VROM. "Op 1 juni zullen we kunnen starten met de handel."

Bij de Raad van State hebben circa 50 bedrijven beroep aangetekend tegen het nationale toewijzingsbesluit broeikasgas emissierechten. Daarbij zit overigens een aantal bedrijven die via een opt-out van emissiehandel zullen worden uitgezonderd.

De beroepen betreffen een zeer breed spectrum, van rekenfouten in de toegerekende emissierechten tot en met de vermeende strijdigheid tussen het emissiehandelssysteem en het lopende Convenant Benchmarking. Op grond van de Wet Milieubeheer moeten de beroepen gecombineerd worden behandeld. De verwachting is dat de zaken in februari of maart volgend jaar 'voor de rechter' zullen komen, in dit geval dus de Raad van State.

"In de wet staat dat de rechter binnen een termijn van achttien weken vanaf het aflopen van de beroepstermijn een zogenaamde tussenuitspraak moet doen als beroepen gegrond zijn", legt Hans de Waal van VROM uit. "Dan wordt de overheid gedurende 10 weken in de gelegenheid gesteld de gebreken in het besluit te herstellen. In de tussenuitspraak wordt ook aangegeven waar het beroep gegrond is. Deze zogenaamde bestuurlijke lus is een noviteit die met de Implementatiewet voor het eerst wordt toegepast en die ervoor bedoeld is bedrijven zo snel mogelijk definitieve zekerheid te verschaffen over het aantal emissierechten dat zij toegewezen krijgen. Einduitspraak van de Raad volgt binnen 40 weken vanaf de afloop van de beroepstermijn."

Ronald Kalwij, milieu en kwaliteitscoŲrdinator bij Royal Cosun, heeft beroep aangetekend tegen het toepassen van de zogenoemde bŤta-kortingsfactor bij fritesfabrikant Aviko. "Die korting werd op onze toewijzing toegepast omdat de overheid in januari 2004 niet in staat bleek de aanvraag voor de meerjarenafspraak te bekrachtigen. Dat wekt des te meer bevreemding omdat Aviko reeds als mja-bedrijf werkt. Ik verwijt de overheid niets, want die stond zelf ook onder grote tijdsdruk vanuit de EU, maar het is in strijd met de zorgvuldigheid die de overheid bij zo'n toewijzing moet betrachten. Het maakt voor ons gauw 10% verschil in ons nadeel uit."

De klimaatcommissie van de EU-lidstaten heeft op 2 december ook de tweede aanvraag van Nederland voor opt-out goedgekeurd. De formalisering van dit besluit door de Europese Commissie is aanstaande.

Het gaat hierbij om 49 bedrijven die relatief kleine CO2-emissies hebben, alsmede 9 meest grotere bedrijven die met succes hebben aangetoond dat zij mogelijk concurrentieverstoring ondervinden van een verschil in uitleg van de Europese Richtlijn door de verschillende lidstaten. Het gaat met name om verschil in uitleg van de term 'verbrandingsinstallatie'. Sommige lidstaten (zoals Nederland) vatten die term breed op en nemen bijna de meeste installaties met een groter vermogen dan 20 megawatt (thermisch) mee, terwijl anderen alleen de elektriciteitsproductie verplichten om mee te doen in de emissiehandel.

Interpretatie
"De goedkeuring betekent de facto dat de lidstaten ťn de Europese Commissie het probleem van een verschil in definitie erkennen", zegt Paul van Slobbe van EZ. "Dat is belangrijk voor de verdere discussie over de volgende handelsperiode, die in 2008 start. Dan moet dat probleem toch wel uit de weg zijn geruimd, dus die discussie is nu al gaande."

Peter Vis, hoofd klimaat bij het directoraat-generaal Milieu van de Commissie, is zeer duidelijk over de kwestie: "Onze interpretatie is dezelfde als die van de Nederlandse regering. Maar er zijn nog steeds ťťn of twee lidstaten die er een andere kijk op nahouden. Wij staan op het standpunt dat we over deze kwestie pas een oplossing kunnen forceren als Šlle allocatieplannen zijn goedgekeurd."

Belangrijkste sta-in-de-weg is momenteel ItaliŽ, dat dezelfde smalle interpretatie hanteert als Frankrijk in eerste instantie deed. Vis: "De Fransen hebben dat herzien, waardoor er meer dan 500 installaties meer meedoen met de emissiehandel, maar ItaliŽ lijkt dat nog niet van plan. Als zij niet toegeven, wordt het een zaak voor de rechter. Die zal dan duidelijkheid geven over de interpretatie, ItaliŽ zal die zaak verliezen, maar dat kan jaren duren. Als ItaliŽ wel herziet, kunnen we veel sneller met alle lidstaten tot overeenstemming komen over een eensluidende interpretatie voor de volgende handelsperiode." Vis hoopt dat bedrijven de Italiaanse regering onder druk zullen zetten: "Zo lang het Italiaanse allocatieplan niet is goedgekeurd, weten de bedrijven niet waar zij aan toe zijn. Die zullen gaan klagen."

Op enkele bedrijven na, hebben alle aankomende deelnemers van de CO2-emissiehandel hun monitoringsprotocol ingeleverd. Het overgrote deel van de vergunningen wordt op 1 januari van kracht.

Op 1 januari worden er waarschijnlijk 170 vergunningen van kracht voor het uitstoten van CO2. Dit is exclusief de 58 bedrijven die onder de tweede opt-out (zie bericht 'Opt-out CO2 goedgekeurd') vallen, want die hebben nu geen vergunning meer nodig. Voor circa 30 bedrijven die ruimschoots te laat hun protocol hebben ingeleverd of waarvan het protocol niet aan de eisen voldoet, haalt de Nederlandse Emissie autoriteit in oprichting (NEa) het niet de vergunning op tijd te verstrekken. "We streven ernaar deze bedrijven op 1 februari van een vergunning te voorzien", zegt Bram Maljaars van de NEa. "We willen de conceptvergunningen nog in december in de staatscourant vermelden en ter inzage leggen."

Zo'n drie a vier bedrijven hebben volgens de NEa helemaal nog geen monitoringsprotocol ingeleverd. "Dit aantal valt reuze mee", zegt Maljaars. De NEa heeft deze bedrijven in elk geval allemaal aangeschreven en beraadt zich erop welke sancties aan deze inrichtingen opgelegd kunnen worden.

Verificatie
De monitoringsprotocollen dienen uiteindelijk als basis voor de emissieverslagen die bedrijven na afloop van elk jaar inleveren. Onafhankelijke verificatie-instellingen zullen de emissieverslagen verifiŽren. Er is veel discussie geweest over de mate van zekerheid waarmee een verslag zal worden geverifieerd, met het oog op de daarmee gepaard gaande administratieve lasten. In gezamenlijk overleg tussen overheid en bedrijfsleven is er voor gekozen dit in het eerste jaar te doen met een 'beperkte mate van zekerheid'. Chris Dekkers van VROM: "De invalshoek bij 'beperkte zekerheid' is dat er wordt gekeken of ergens uit blijkt dat de emissies niet goed zouden zijn weergegeven. Dit vraagt een minder grote steekproef en minder werk."

Het is de intentie dit niveau te handhaven in de twee daarop volgende jaren, tenzij blijkt dat Nederland daarmee uit de pas loopt met de rest van Europa, of tenzij dit onaanvaardbare fouten oplevert. De overheid zal daarom in 2005 de verschillen in de praktijk tussen beide niveaus onderzoeken en op basis daarvan bezien of het niveau van 'beperkte mate van zekerheid' voldoet.

"Over het eerste halfjaar komt er tevens een systeemverificatie om te kijken of bedrijven protocollen goed toepassen en of alle elementen zijn geÔmplementeerd", aldus Chris Dekkers van het ministerie van VROM. Bedrijven kunnen dan, in overleg met de NEa, bijsturen en zorgen voor tijdige aanpassingen, zodat er bij oplevering van het geverifieerde emissieverslag na het eerste handelsjaar zo min mogelijk problemen bestaan.

Overigens gaat deze week een brief uit van het Verificatiebureau Energie (VBE) aan de deelnemende bedrijven, met daarin het aanbod dat het VBE de verificatie van het milieurapport voor het eerste gratis voor zijn rekening wil nemen. VBE roept de bedrijven tevens op om tijdig te starten met de systeemverificatie in de eerste helft van 2005.

Vijf nationale allocatieplannen krijgen begin januari een beoordeling. Polen, ItaliŽ, TsjechiŽ en Griekenland echter zullen op 1 januari zonder goedgekeurd allocatieplan de eerste handelsperiode ingaan.

De Europese Commissie gaf onlangs aan dat begin januari vijf nationale allocatieplannen zal beoordelen. Het gaat om de plannen van Spanje, Hongarije, Cyprus, Malta en Litouwen. Op de tiende klimaatconferentie in Buenos Aires reageerde Jos Delbeke, directeur DG milieu van de Europese Commissie alvast positief op het Spaanse plan.

De allocatieplannen van TsjechiŽ, Polen, ItaliŽ en Griekenland halen de Kerst niet. Deze plannen worden nog onder de loep genomen en daarmee lopen de landen ernstige vertraging op. Griekenland heeft pas deze week zijn allocatieplan aangeleverd. Ook de aanpassingen die het Verenigd Koninkrijk heeft gemaakt op haar allocatieplan worden pas na 1 januari 2005 behandeld. "De commissie bekijkt de plannen kritisch", zegt Jeroen Brinkhoff van het Ministerie van Economische Zaken. "De plannen worden net zo streng beoordeeld als die van Nederland. Dat een plan te laat is ingediend, wil niet zeggen dat het soepeler beoordeeld wordt."

Het Financieele Dagblad meldt dat de vertraging kritiek opriep bij ondernemingen als het Amerikaanse Dupont en het Franse Total. Zij klagen niet te kunnen voldoen aan de Europese broeikasemissie-eisen.

Installaties die onder de richtlijn vallen, maar niet in het bezit zijn van een vergunning, zijn vanaf 1 januari formeel in overtreding als de EU-richtlijn adequaat in nationale regelgeving is geÔmplementeerd. "Wanneer er nog geen rechten toegewezen zijn, geeft dat een hoop onzekerheid voor de markt in het algemeen en voor de betreffende bedrijven in het bijzonder", zegt Brinkhoff. "Zeker met landen als Polen en ItaliŽ gaat het om een hoop rechten."

Deze nieuwsbrief wordt aan u verstuurd door de ministeries van EZ en VROM en door VNO-NCW, die gezamenlijk de Kerngroep CO2-Emissiehandel vormen. De nieuwsbrief staat onder redactie van Ecofys Publishing (eindredacteur Rolf de Vos).