******************************************************************************************************
Indien u dit kunt lezen wordt de onderstaande nieuwsbrief niet correct door uw mailprogramma getoond.
Een correcte HTML weergave van deze nieuwsbrief kunt u zien door het hiernavolgende webadres te kopiŽren
en vervolgens te plakken in uw webbrowser:
http://www.emailnieuwsbrieven.nl/sbo/EcoFys/showarch.asp?LijstID=1123&BriefID=6894&Persoonid=[SysPersoonID]
******************************************************************************************************
 
nr.28
16 november 2005

Het kabinet heeft twee weken geleden besloten over het emissieplafond voor de industrie voor de Kyoto-budgetperiode. Deze zogenaamde streefwaarde bedraagt 108,6 miljoen ton CO2 per jaar. Doordat er sommige veranderingen zijn opgetreden in de samenstelling van de doelgroep, is dit bedrag equivalent met het huidige plafond van 112 Mton per jaar. Eventuele groei in de industrie mag dus niet leiden tot hogere emissies van broeikasgassen.

Het plafond is vastgesteld in het kader van de goedkeuring van de Evaluatienota Klimaatbeleid 2005, die naar de Tweede Kamer is gestuurd. Het plafond van 108,6 Mton CO2 voor de jaren 2008 tot en met 2012 werd al genoemd tijdens het congres 'Emissiehandel, Balans opmaken en vooruit kijken', op 14 oktober in Ede. Toen hield EZ-projectleider Van Slobbe nog een slag om de arm. Nu blijkt dat het kabinet verwacht de Kyoto-doelstellingen te kunnen halen met de bevriezing van het emissieplafond tot 2012. Verdere reducties zullen in andere sectoren worden behaald, zoals de gebouwde omgeving en het transport.

Voor de streefwaarde van de sector industrie/energie geldt dat een verhoging is uitgesloten. Maar het kabinet is in beginsel bereid ook af te zien van een verlaging van het niveau van 108,6 Mton omdat dat niveau als redelijk wordt gezien. Een definitief besluit hierover wordt echter in het voorjaar van 2006 genomen.

De streefwaarde is bepalend voor de hoeveelheid emissierechten die aan de bedrijven kan worden toegewezen in het kader van de emissiehandel. Niet alle CO2-emissies uit de industrie vallen onder emissiehandel. Nog nader moet worden berekend welk deel dit betreft. ECN en SenterNovem zullen de berekening uitvoeren.

  • Terug naar Inhoud
  • In de komende maanden bereiden zo'n 250 bedrijven zich voor op het opstellen van een emissiejaarverslag voor CO2 en NOx emissies. Tijdens het jaarlijkse congres over emissiehandel, op 14 oktober in Ede, maakten de bedrijven de balans op en keken vast vooruit naar de tweede handelsperiode.



    In zijn welkomstwoord wees Hans Bolscher, de nieuwe directeur Klimaatverandering en Industrie bij VROM – met emissiehandel in zijn portefeuille – er op dat er in het laatste jaar bergen werk verzet zijn. Met een laatste veegactie, met onder andere advertenties in kranten, zijn inmiddels ook de laatste bedrijven die onder emissiehandelzouden moeten vallen, opgeroepen. "In het afgelopen jaar is de transparantie in het proces een groot goed gebleken", aldus Bolscher. Met dezelfde transparantie worden nu ook de voorbereidingen getroffen voor de tweede ronde toewijzingen.

    Wettelijk dienen de emissieverslagen – elk van een paar kantjes A4 – uiterlijk 31 maart 2005 zijn ingeleverd. Daarna krijgen de bedrijven nog een maand de gelegenheid precies zo veel emissierechten in te leveren als hun geverifieerde 'jaarvracht'. Tijdens het congres bogen zo'n 230 bedrijven, consultants en overheidsvertegenwoordigers zich over de praktijk van het monitoren, de handel en het boekhouden van de emissierechten, en de komende rapportage en verificatie van de cijfers.

    Tijdens het congres 'Emissiehandel, Balans opmaken en vooruit kijken', op 14 oktober in Ede, werd ook alvast een vooruitblik gegund op de toewijzing van de emissierechten voor de tweede handelsperiode, vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012. Voor die periode, waarover ook de doelstellingen voor 'Kyoto' worden berekend, zijn in de Richtlijn Emissiehandel iets strengere regels vastgelegd, zoals hogere boetes en geen mogelijkheid tot het maken van uitzonderingen.

    Deze zomer zijn in Nederland al voorbereidingen getroffen voor de tweede toewijzing, waarvoor het plan uiterlijk 30 juni 2005 in Brussel moet liggen. Bedrijven en overheid overleggen daarover intensief met elkaar.



    Calimero
    Tijdens het congres was een speciale sessie gewijd aan de inbreng van de 'kleinere' bedrijven, georganiseerd onder de naam 'Calimero'. Marco Mensink van de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Papier- en Kartonfabrieken VNP, heeft namens Calimero zitting in de overleggroep van overheid en bedrijfsleven (CAPII): "…cht klein zijn deze bedrijven niet. Er zijn nu tien branches betrokken, zoals papier, baksteen, bier, kleinmetaal en cement. Tijdens het congres hebben ook de asfaltcentrales en de groenvoerdrogerijen zich aangemeld."

    De inbreng van kleine bedrijven was een specifieke wens die voortkwam uit de evaluatie van de voorbereidingen voor het eerste allocatieplan. "We overleggen eens per twee Š drie maanden in Calimero, buiten het reguliere industrieoverleg om. Daarbij komen dingen aan de orde zoals: wat gaan we doen met de opt-out groep met minder uitstoot dan 25 kiloton per jaar, komt er een verhuisregeling, hoe zit het met de mja-factor van 0,85?"

    Mensink constateert dat de bulk van de 'kleinere' bedrijven ook niet aanwezig was op het congres. "Maar branchevertegenwoordigers en contactpersonen kunnen bij mij terecht om zich aan te melden voor 'Calimero'."

    Marco Mensink is per mail te bereiken via m.mensink@vnp-online.nl.


    Zie voor alle lezingen:
    www.CO2-allocatie.nl


  • Terug naar Inhoud
  • De bedrijven die nu gebruik maken van een 'opt-out' en in de eerste handelsperiode van het Europese systeem niet mee hoeven te doen aan emissiehandel, zullen die mogelijkheid in de tweede periode niet meer krijgen. Maar de overheid werkt aan een 'creatieve oplossing'.



    Paul van Slobbe, projectleider van de projectgroep CO2-Allocatieplan (CAPII), kon tijdens het congres 'Emissiehandel, Balans opmaken en vooruit kijken' nog niet zeggen wat die 'creatieve oplossingen' kunnen zijn. Momenteel vallen zowel kleine emitters (minder dan 25 kiloton per jaar) als grotere chemiebedrijven (vanwege concurrentievervalsing) in een opt-out. "Het is wel zeker dat we niet de hele groep van opt-out bedrijven buiten het emissiehandelssysteem kunnen houden", aldus Van Slobbe.

    In de Europese Richtlijn bestaat alleen voor de eerste handelsperiode (tot 2008) de mogelijkheid van een opt-out. In de tweede periode, van 2008 tot en met 2012, is het alleen mogelijk om extra sectoren toe te voegen via een 'opt-in'. Wellicht gaat gedurende de tweede handelsperiode ook de luchtvaart meedoen. Zonder tot een conclusie te komen, besprak de Europese Milieuraad op 17 oktober een notitie van de Europese Commissie daarover. Verder wordt ook overwogen om lachgasemissies (N2O) uit de kunstmestindustrie in het handelssysteem op te nemen.

  • Terug naar Inhoud
  • Bedrijven die vallen onder het emissiehandelssysteem mogen kiezen welke drie referentiejaren uit de periode 2001 tot en met 2005 zij willen gebruiken als basis voor de toewijzing van emissierechten na 2007.

    Begin december krijgen bedrijven een aanvraagformulier om gegevens in te vullen en op te sturen. Zij krijgen evenwel nog tot 1 april 2006 om hun definitieve keuze voor de basisjaren te maken. Overigens houdt deze keuzevrijheid in dat er geen uitzonderingen of bijzondere omstandigheden meer worden geaccepteerd.

    De gegevens uit de basisjaren worden gebruikt voor de berekening van de hoeveelheid toe te wijzen emissierechten. Het gemiddelde van de basisjaren wordt vermenigvuldigd met een groeifactor en een efficiencyfactor – waarin reeds genomen maatregelen bij de bedrijven zijn verdisconteerd. Uiteindelijk worden alle toewijzingen nog met een factor 'c' vermenigvuldigd om de totale hoeveelheid emissierechten binnen het plafond te houden.

    Het tweede allocatieplan moet uiterlijk 30 juni 2006 in Brussel liggen. Discussies lopen nu over onder andere procesemissies, nieuwkomers, sluitingen en te hanteren conversierendementen in de elektriciteitssector. Tijdens het congres op 14 oktober riep EZ alle bedrijven op de ontwikkelingen nauwgezet bij te houden, onder andere via de website www.CO2-allocatie.nl, de Nieuwsbrief Emissiehandel en informatie van brancheorganisaties.

  • Terug naar Inhoud
  • Met strenge woorden sprak directeur Marc Allessie van de Nederlandse Emissie Autoriteit op 14 oktober de zaal toe: "De NEa kan en zal niet coulant zijn bij het inleveren van de emissierechten."

    Tot dusverre heeft de NEa vooral de rol gespeeld als vergunningverlener en vraagbaak, en getuige reacties van betrokken bedrijven, tot veler tevredenheid. Allessie maakte duidelijk dat de houding van de NEa als handhaver van emissievergunningen voor NOx en CO2 niet anders mag zijn dan streng: op 31 maart 2006 moet het geverifieerde emissieverslag zijn ingeleverd, ťťn maand later ook de emissierechten. "Dit raakt aan de integriteit van het gehele systeem: harde deadlines, sancties en een beperkte mogelijkheid voor flexibiliteit."

    De NEa heeft een positief beeld over de procedures tot dusverre. "We hebben 207 CO2-vergunningen uitgegeven, 247 NOx-vergunningen, 600 rekeningen geopend, 70 bedrijfsbezoeken afgelegd, en we hebben slechts twee sancties met dwangsom hoeven opleggen. Maar in het komende halfjaar komt het 'moment supreme': het inleveren van het emissieverslag en de bijbehorende emissierechten." Op grond van dat beeld is Allessie ook optimistisch over de naleving. "Waar we in 2005 slechts in 5% van de gevallen serieuze problemen zagen, mag dat in de compliance-periode 0% zijn."



    In de praktijk betekent de deadline van 31 maart dat al begin 2006 de emissieverslagen moeten worden opgesteld om geverifieerd te kunnen worden. In de meeste gevallen dat het VBE die verificatie uitvoeren. Binnenkort zal de NEa een elektronisch format voor het emissieverslag beschikbaar stellen. Tijdens het congres riep het VBE de bedrijven op om uiterlijk half januari de concept-verslagen in te leveren, zodat er voldoende tijd is om de verificatie en eventuele bijstellingen in het verslag uit te voeren.

  • Terug naar Inhoud
  • Tijdens het congres 'Emissiehandel, Balans opmaken en vooruit kijken' benadrukten verschillende sprekers nog eens dat het bedrijf zŤlf zijn emissieverslag inlevert bij de vergunningverlener, en dat de verificateur slechts handelt in opdracht van het bedrijf. Ook in geval van noodgedwongen afwijkingen van het monitoringsprotocol.

    Mede gezien het aanbod van de overheid om het Verificatiebureau Benchmarking Energie in het eerste 'overgangsjaar' gratis te mogen inschakelen, wordt nu het VBE door de meeste bedrijven – 240 in getal - als verificateur ingeschakeld. "Wij werken in opdracht van de ondernemer", benadrukte Jaap Verhoeff van het VBE nogmaals.

    Het werk van de verificateur bestaat uit de verificatie of de cijfers in het emissieverslag zijn gemonitord volgens het monitoringsprotocol dat onderdeel is van hun emissievergunning.. "Met zijn verklaring over het verslag zegt de verificateur in feite: Ik heb niets gevonden dat erop wijst dat de getallen fout zijn", legt Julia Williams van VROM uit. "Het is te vergelijken met een accountantsverklaring. Het bedrijf levert vervolgens zťlf het geverifieerde verslag in bij de NEa. Als een bedrijf een niet-geverifieerd verslag indient bij de NEa, is het bedrijf in overtreding. De NEa moet dan actie ondernemen en de emissiecijfers ambtelijk vaststellen."

    Het monitoringsprotocol staat dus centraal in de verificatie. Als een bedrijf gedurende het jaar afwijkt van dit protocol, moet het bedrijf dat Úf melden bij de NEa, Úftevoren toestemming vragen. De NEa heeft overigens ook de mogelijkheid om het bedrijf te verzoeken het protocol aan te passen, bijvoorbeeld als tijdens een toezichtsbezoek iets wordt ontdekt dat gerepareerd moet worden. Het bedrijf is vervolgens verplicht deze reparatie uit te voeren.

    Naar nu blijkt, is bij sommige bedrijven het protocol echter nog niet geheel geÔmplementeerd. Dat betekent, dat deze bedrijven gedurende dit eerste jaar van emissiehandelniet conform hun protocol kunnen hebben gewerkt. Terwijl de verificateur slechts een verklaring mag afgeven als de emissiecijfers volgens het protocol zijn gemonitord. Williams: "Zonder verklaring zou het bedrijf dan formeel in overtreding zijn. Terwijl het eigenlijk heel begrijpelijk is dat de monitoring nog niet vanaf het eerste moment op rolletjes liep. Daarom hebben we voor de afsluiting van dit eerste handelsjaar een oplossing ontwikkeld, zodat dit bedrijf met terugwerkende kracht toch de betreffende periode kan afdekken. Voorzover het huidige meldingenregime in de emissievergunning hierin al niet voorziet."

    De oplossing luidt als volgt: Het bedrijf geeft aan op welke manier het de emissies bepaalt over de periode waarin het monitoringsprotocol nog onvoldoende werd gevolgd. Het bedrijf stuurt de voorgestelde aanpak naar de NEa, dat beoordeelt of het voorstel garandeert dat de emissies niet worden onderschat. Als de NEa zich kan vinden in de aanpak die het bedrijf voorstelt, verzoekt de NEa het bedrijf formeel om voor de betreffende periode het protocol conform het voorstel aan te passen. Als de NEa niet akkoord gaat, bepaalt zijn hoe het dan wel zou moeten. De NEa verzoekt het bedrijf om het protocol voor die bepaalde periode conform de wensen van de NEa aan te passen. Vervolgens stelt het bedrijf het emissieverslag op en de verificateur kan dat verifiŽren.

    Williams: "Deze aanpak voor het eerste jaar is zo simpel mogelijk en houdt de verantwoordelijkheden waar ze horen: het bedrijf is verantwoordelijk voor het protocol, de NEa is verantwoordelijk voor het valideren ervan. Hierdoor worden goedwillende bedrijven niet het slachtoffer van de start van emissiehandel. Bovendien kunnen de verificateurs zo hun werk doen: verifiŽren en verklaringen afgeven. Voor de NEa wordt nu ook de werklast gespreid."

  • Terug naar Inhoud


  • De doorberekening van de CO2-prijs in de elektriciteitsprijs is velen een doorn in het oog. Uiterlijk begin 2006 wil minister Brinkhorst van EZ meer duidelijkheid hebben over de manier waarop aan de problematiek kan worden tegemoet gekomen. "Ik zal op korte termijn op zoek gaan naar mogelijke oplossingen", schrijft Brinkhorst aan de Kamer. "Mogelijk leidt dit tot aanpassingen (binnen de kadersvan de richtlijn) van de allocatie voor de periode 2008-2012."

    Afgelopen maand heeft de Tweede Kamer zich met de minister gebogen over de manier waarop de elektriciteitssector de prijs van CO2-emissieberichten doorberekent in de stroomprijs. Door deze doorberekening van de (gratis verstrekte) emissierechten, zouden de elektriciteitsbedrijven extra winst ('windfall profits') opstrijken. ECN berekende voor het debat dat de eindgebruikersprijs met ongeveer 0,3 tot 0,7 ct/kWh is toegenomen. Daarnaast constateert ECN dat door gratis toewijzing van emissierechten geen stimulans ontstaat voor de bouw van CO2-arme installaties. Omdat een kolencentrale wel emissierechten krijgt toegewezen en windturbines niet, wordt de kolencentrale als het ware gesubsidieerd.

    ECN pleit in zijn rapport voor veiling van de emissierechten aan de elektriciteitssector. Dat kan op zijnvroegst voor de tweede handelsperiode vanaf 2008. Veilen verandert vermoedelijk niets aan de stroomprijs, maar wel aan de winst van de elektriciteitsbedrijven. De Europese Richtlijn geeft de lidstaten voor de tweede handelsperiode ruimte tot veilen van maximaal 10% van de rechten. In de eerste handelsperiode was dat 5%. Van de mogelijkheid om te veilen maken Denemarken en Ierland gebruik.

    De problemen met 'Windfall profits' bestaan ook elders in de EU. Inmiddels loopt een internationaal overleg over de te nemen maatregelen. Veiling passeert ongetwijfeld de revue, naast andere opties zoals een krappere toewijzing, extra belasting, etcetera.

  • Terug naar Inhoud
  • De Europese Commissie heeft vorige week de eerste voorstellen gedaan voor het bijstellen van de richtsnoeren voor de monitoring en rapportage van CO2-emissies. De evaluatie die in september startte moet leiden tot vereenvoudigingen en een meer geharmoniseerde invoering door de lidstaten. De discussies betreffen aspecten als kosteneffectiviteit, de nauwkeurigheid van de monitoring en het oplossen van sectorspecifieke problemen.

    Hoewel de tweede handelsperiode pas start in 2008, willen de Commissie en de lidstaten al in december een voorstel gereed hebben over aanpassing van de richtsnoeren, vertelt Chris Dekkers van VROM. "Gezien de deadline van 30 juni voor het inleveren van de toewijzingsplannen, is het zaak om ruim voor die tijd al duidelijkheid te hebben over de monitoring."

    De voorstellen betreffen verduidelijkingen van definities, bronnen en brandstofstromen en de bepaling van 'tiers' (de graad van nauwkeurigheid van emissiemonitoring). Voorts is een aantal vereenvoudigingen voorgesteld voor de monitoring. Een belangrijke versoepeling die de Commissie voorstelt betreft de vereisten voor monitoring van de kleinere installaties, te weten. installaties met een emissie van minder dan 25.000 ton CO2 per jaar. Voor deze categorie van installaties stelt de Commissie ook een verzachting voor van de eisen aan de verificatie. Deze eerste voorstellen voor wijziging van de richtsnoeren worden de komende maanden in Brussel besproken en mogelijk nog aangepast. Indien aanvaard door de lidstaten en het Europese Parlement, worden de gewijzigde richtsnoeren per 1.1.2008 van kracht.

    Dekkers is tevens betrokken bij discussies over de verificatie. "Het grootste probleem was, datverificatie van de emissieverslagen pas laat is erkend als het 'hart van het systeem' voor emissiehandel", aldus Dekkers. "Nu wordt verificatie in verschillende lidstaten op verschillende manier uitgelegd, en dat kan straks problemen geven over het level playing field voor de bedrijven in het systeem van emissiehandel. Er is binnen de EU een breed draagvlak voor harmonisatie." Begin volgend jaar worden de systemen voor verificatie in de lidstaten geŽvalueerd. Op grond van aanbevelingen kunnen de lidstaten volgend jaar gezamenlijk besluiten hoe de verificatie in de tweede handelsperiode gestalte moet krijgen.

    Een langere adem is nodig voor het oplossen van de knelpunten tussen de NOx-emissiehandel en de Europese IPPC-richtlijn. Een evaluatie van de IPPC-richtlijn is reeds gestart, maar implementatie van eventuele wijzigingen zal naar verwachting niet eerder gebeuren dan in 2012.

  • Terug naar Inhoud
  • Deze nieuwsbrief wordt aan u verstuurd door de ministeries van EZ en VROM en door VNO-NCW, die gezamenlijk de Kerngroep CO2-Emissiehandel vormen. De nieuwsbrief staat onder redactie van Ecofys Publishing (eindredacteur Rolf de Vos).