******************************************************************************************************
Indien u dit kunt lezen wordt de onderstaande nieuwsbrief niet correct door uw mailprogramma getoond.
Een correcte HTML weergave van deze nieuwsbrief kunt u zien door het hiernavolgende webadres te kopiëren
en vervolgens te plakken in uw webbrowser:
http://www.emailnieuwsbrieven.nl/sbo/EcoFys/showarch.asp?LijstID=1123&BriefID=7382&Persoonid=[SysPersoonID]
******************************************************************************************************
 
nr. 32
20 februari 2006

Minister Brinkhorst van Economische Zaken heeft vorige week een brief gestuurd aan vier leden van de Europese Commissie. Mede namens staatssecretaris Van Geel van VROM bepleit hij extra initiatieven van de Europese Commissie om te waarborgen dat vanaf 2008 alle verbrandingsinstallaties in de EU onder het systeem van emissiehandel vallen.

De brief is verstuurd naar de commissarissen Neelie Kroes (Mededinging), Andris Piebalgs (Transport en energie), Stavros Dimas (Milieu) en Günter Verheugen (Industrie- en ondernemingsbeleid). Brinkhorst wijst erop dat het richtsnoer van eind vorig jaar niet bindend is en er nog altijd verschillende interpretaties kunnen plaatsvinden van de definitie van 'verbrandingsinstallaties'. Dat kan vooral in de chemische industrie aanleiding geven tot verstoring van concurrentieverhoudingen. Brinkhorst: "U zult begrijpen dat wij alleen de brede definitie zullen kiezen als we ervan zijn verzekerd dat andere lidstaten dezelfde definitie zullen gebruiken."

In de voorbereidingen van het tweede allocatieplan, dat komende zomer bij de Europese Commissie moet worden ingediend, speelt de definitiekwestie een belangrijke rol. Paul van Slobbe van EZ: "Onze inzet is de brede definitie. We willen alleen niet dat de Nederlandse industrie concurrentienadeel ondervindt en nu hebben we, anders dan in de eerste handelsperiode, geen uitweg met een opt-out voor bedrijven. Maar met een beperkte definitie in het allocatieplan dat we deze zomer indienen, zullen we door de Europese Commissie worden teruggefloten. Voor dat dilemma staan we nu."

Groot-Brittannië heeft het initiatief genomen om het niet-bindende richtsnoer over de brede definitie in onderling overleg met andere lidstaten om te zetten in een gemeenschappelijk standpunt. Nederland heeft zich daarbij aangesloten, maar ook Spanje en Frankrijk werken hier aan mee. Van Slobbe: "De Commissie waardeert dat zeer. Duitsland is nog een onzekere factor. Punt van discussie is onder andere hoe de kleintjes, die in de eerste handelsperiode als gevolg van de beperkte definitie buiten het systeem vielen, nu er ook buiten gelaten kunnen worden. Dat willen wij ook."

  • Terug naar Inhoud
  • In overleg met de producenten van salpeterzuur (grondstof voor vooral kunstmest), overweegt de Nederlandse overheid om lachgas (N2O) vanaf 2008 onder te brengen in het systeem voor handel in emissierechten voor broeikasgassen. De Europese richtlijn schept de mogelijkheid voor zo'n 'opt-in', die nog wel goedkeuring vanuit Brussel behoeft.

    Er is nieuwe regelgeving voor de uitstoot van N2O in de maak, maar als de uitstoot via emissiehandel kan worden gereguleerd, kunnen sneller hogere emissiereducties worden gehaald, denkt ook woordvoerder Rein Coster van VKP (Vereniging van Kunstmest Producenten): "Het pastgoed in het streven naar verantwoord ondernemen. Meedoen aan emissiehandel geeft daarnaast een economische prikkel om verder te gaan dan de 'Best Available Technologies' die in de Europese IPPC-wetgeving van de industrie worden vereist."

    N2O is als broeikasgas ongeveer 310 maal zo effectief als CO2. Met behulp van katalyseprocessen, geïntegreerd in het productieproces of in de afgassen, kan de N2O-emissie worden gereduceerd. Bij de salpeterzuurproductie in Nederland door in totaal drie inrichtingen van Yara en DSM Agro komt jaarlijks zo'n 5,5 miljoen ton aan CO2-equivalenten vrij. Een belangrijk punt van discussie tussen producenten en overheid (inclusief de provincie als bevoegd gezag voor de milieuvergunning) is het uiteindelijke plafond voor de N2O-emissies. De producentenstellen voor aan te sluiten bij de Duitse eisen voor nieuwe installaties vanaf 2007.

    Mede vanwege de grote potentiële reductie van broeikasgas heeft VROM de inbreng van de industrie omarmd. "Afhankelijk van het uiteindelijke plafond is dit voor onze Kyoto-doelstellingen interessant", aldus Julia Williams van VROM. "De projectgroep die werkt aan het tweede allocatieplan heeft als eis gesteld dat toetreding geen effect mag hebben op de toewijzing van emissierechten aan de andere bedrijven. Dat kunnen we uiteraard billijken. Succes is nog niet verzekerd, maar er zijn momenteel ook andere landen geïnteresseerd."

    De opt-in voor lachgas wordt nu besproken in Europees verband. Ook de Franse en wellicht de Britse industrie willen meedoen. "De Duitsers en Belgen hebben al nieuwe regelgeving in de maak, maar die hoeft niet te bijten met emissiehandel", aldus Rein Coster.

  • Terug naar Inhoud
  • Het 'Directeuroverleg', bestaande uit hoge ambtenaren van EZ en VROM en een vertegenwoordiging van VNO-NCW, heeft vorige week ingestemd met het voorstel van de projectgroep CAP voor vaste rendementen op basis waarvan energieproducerende eenheden emissierechten voor de periode na 2008 zullen krijgen toegewezen. Ook konden zij zich vinden in het voorstel voor de zogenoemde energie-efficiency factoren.

    Het standaardrendement voor elektriciteitsproductie met olie of gas is 52%, met kolen 39% en met hoogovengas 40%. Voor warmteproductie geldt een standaardrendement van 90%. Apparatuur met hogere rendementen komen dus relatief gunstig uit met hun toegewezen emissierechten, met lagere rendementen juist ongunstig.

    In de berekening van de toewijzing van emissierechten wordt gewerkt met een vermenigvuldigingsfactor die de relatieve energie-efficiency van een bedrijf weergeeft. Met een EE-factor groter dan 1 krijgt een bedrijf meer toegewezen dan het op grond van zijn historische emissiegegevens zou krijgen. Het Directeuroverleg is tevens akkoord gegaan met de EE-factoren voor bedrijven die deelnemen aan de meerjarenafspraken of het benchmarkconvenant.

    Mja-bedrijven worden voor hun besparende activiteiten in de afgelopen jaren beloond met een standaard-vermenigvuldiging met 1. Zij komen dus beter uit dan niet-mja-bedrijven, die hun totaal standaard met een factor 0,85 zien vermenigvuldigd. Er is voor deze bedrijven overigens wel de mogelijkheid om hun factor te verhogen indien zekunnen aantonen dat zij wel al besparende maatregelen hebben genomen.
    Benchmarkbedrijven krijgen hun eigen 'benchmarkcijfer' als EE-factor. Dit benchmarkcijfer krijgen bedrijven aan de hand van hun positie in de wereldtop voor energiebesparing in hun sector.

    Een efficiencyfactor mag echter nooit hoger dan 1,1 zijn.

  • Terug naar Inhoud
  • Twaalf branches van industrieën die (gaan) deelnemen aan emissiehandel hebben vorige week hun verhaal kunnen doen in een direct gesprek met de departementen van EZ en VROM. De overheid organiseerde de consultatieronde om direct informatie van bedrijven te kunnen krijgen en te kunnen overbrengen.

    De branches was gevraagd speciale wensen en opmerkingen van bedrijven te verzamelen. Elk van de branches had een toelichting op de speciale aspecten van emissiehandel voor het type bedrijf, sommige hadden dat ook op papier gezet. "Voor ons was het handig om de inhoudelijke punten te horen, maar ook bepaalde gevoeligheden te vernemen", zegt Paul van Slobbe van EZ. "Je hoorde visies van branches op elkaar, of over de positie van kleine bedrijven ten opzichte van warmtekracht. Ditmaal direct van de branches, die normaal via vooroverleg hun zaken kunnen inbrengen in de projectgroep voor het allocatieplan. Ik geloof dat deze consultatieronde veel goodwill heeft gekweekt."

    Dominic Boot, directeur van de Vereniging van de Nederlandse Petrochemische Industrie, beaamt dat volmondig: "Deze consultatie beviel ons uitstekend. Ook onze achterban (zeven oliemaatschappijen, vijf raffinaderijen, red.) is tevreden. We hebben, met onze ervaring uit de eerste allocatie, onze specifieke problemen kunnen uitleggen. Ons belangrijkste punt is, dat wij te maken hebben met andere milieu-eisen die effect hebben op de CO2-uitstoot. De normen voor zwavel worden in 2007 en 2009 strenger. De Europese richtlijn geeft ook aan dat het toewijzingsplan rekening moet houden met extra emissierechten om hieraan tegemoet te komen. Ik denk dat die boodschap goed is overgekomen bij EZ en VROM. Maar dat wordt over een paar weken natuurlijk pas echt duidelijk."

  • Terug naar Inhoud
  • Vermoedelijk vanaf deze zomer is de Nederlandse regeling rond voor het verkrijgen van extra emissierechten via CDM-projecten in ontwikkelingslanden.
    De wetgeving voor koppelen van de zogenoemde 'Kyotomechanismen' JI (Joint Implementation) en CDM (Clean Development Mechanism) aan het Europese systeem is afgelopen woensdag behandeld in de Tweede Kamer.

    CDM- en JI-projecten zijn projecten voor emissiereductie van broeikasgassen die kunnen worden uitgevoerd in respectievelijk ontwikkelingslanden en elders in de wereld. Eind 2004 verscheen een Europese richtlijn over de mogelijkheid om deze reducties ook net als emissierechten te gebruiken in het Europese handelssysteem.

    CDM-credits kunnen al direct in het handelssysteem worden ingebracht, JI-credits pas vanaf 2008. "Daarvoor is wel nodig dat de reducties internationaal zijn goedgekeurd en kunnen worden verhandeld", aldus Paul van der Lee van VROM. "Dat kan even duren, want de internationale systemen, zoals een systeem voor het registreren van transacties, zijn nog niet op orde." Niettemin heeft een aantal bedrijven al CDM-projecten bij VROM aangemeld. "Dat kon omdat CDM de ruimte laat om ook oudere projecten te gebruiken", zegt Van der Lee. "In het kader van ons interim-beleid zijn een paar projecten al goedgekeurd."

    Tijdens het Kamerdebat diende Diederik Samsom van de PvdA een amendement in om ook in Nederland de mogelijkheid te bieden voor JI-projecten. Daaronder vallen projecten buiten de sectoren die deelnemen aan emissiehandel en die bovendien niet op andere manier (met bijvoorbeeld subsidies) worden gesubsidieerd. Samsom: "dat wil ik gedeeltelijk om principiële redenen, omdat JI wederkerig moet zijn. Wij met JI-projecten in het buitenland, het buitenland bij ons. Maar ik zie ook kansen om bijvoorbeeld projecten met restwarmte hieronder te laten vallen."

    Staatssecretaris Van Geel raadde het amendement af om twee redenen. Ten eerste mag Nederland de credits van een JI-project door een buitenlands bedrijf niet op zijn eigen Kyoto-conto schrijven. Ten tweede zijn de administratieve eisen relatief zwaar. Van Geel geeft zelf de voorkeur aan 'opt-in', de mogelijkheid om nieuwe sectoren bij de emissiehandel onder te brengen. "Dan kun je beter sturen en valt het onder nationaal Kyoto-beleid."

    Het wetsvoorstel zal volgende week waarschijnlijk worden goedgekeurd. Voor het amendement is vermoedelijk geen Kamermeerderheid.

  • Terug naar Inhoud
  • Het overgrote deel van de rond 500 Nederlandse bedrijven die in de tweede periode (2008-2012) onder het systeem van de Europese emissiehandel zullen vallen, heeft vóór de deadline van 31 januari het vragenformulier ingestuurd. Op dit formulier konden bedrijven onder andere hun emissiegegevens in de basisjaren aangeven.

    SenterNovem is momenteel druk bezig om de gegevens te verifiëren. "Dat gebeurt aan de hand van andere bekende gegevens," aldus Karin Kramers van SenterNovem. "Er druppelen nu nog wat enquêtes na. De aangeschreven bedrijven die nog niet hebben gereageerd worden nogmaals door ons aangespoord. Uiteindelijk zijn de gegevens nodig om emissierechten te kunnen vaststellen"

    Zo'n 450 bedrijven zijn aangeschreven en enkele tientallen tuinders hebben uit eigen beweging de enquête ingevuld. Kramers: "We kunnen de gegevens nu nog niet aggregeren omdat er nog aanvullingen nodig zijn en het toetsen nog loopt. We verwachten rond half maart zo ver te zijn". Uiterlijk op 1 april moet het toetsingsprocs zijn afgerond.

  • Terug naar Inhoud
  • Bedrijven kunnen sinds 2 januari met al hun vragen over CO2- en NOx-emissiehandel terecht bij de Bedrijvenhelpdesk Emissiehandel. De helpdesk werd meteen druk bezocht; in januari zijn meer dan 185 telefoontjes en e-mails afgehandeld.

    Het merendeel van deze vragen ging over de aanvraag van CO2-rechten voor de periode 2008-2012, die uiterlijk 31 januari moest worden ingediend. Zo was bijvoorbeeld de omgang met uitbreidingen niet helemaal duidelijk. Uitbreidingen en nieuwe inrichtingen in 2006 en later vallen buiten het bestek van dit CO2-formulier 2008-2012. Men zal voor dergelijke uitbreidingen in het opstartjaar apart nieuwkomerrechten moeten aanvragen onder de regels van het Allocatieplan-1 (2005 - 2007) en – afzonderlijk – Allocatieplan-2 (2008 - 2012). Hierover zal nog nader bericht komen.


    Afsluiting Handelsjaar
    Veel bedrijven richten zich nu op de afsluiting van het handelsjaar, met als eerste activiteit het opstellen van het emissieverslag. Deze nieuwsbrief zal u, in samenwerking met de helpdesk, regelmatig op de hoogte houden van veelgestelde vragen en hun antwoorden. Ditmaal twee vragen:

    Vraag 1:
    "Ik voldoe niet aan de voorwaarden voor het gebruik van het digitale format emissieverslag. Welk format moet ik dan gebruiken?"

    Antwoord:
    "U kunt gebruik maken van het Programma van Eisen, (de laatste versie is van 21 juni 2004), Bijlage I "Emissieverslag CO2 en NOx". En u kunt gebruik maken van de Ministeriële Regeling Monitoring Bijlage VIII. Beide zijn te vinden op de website van de NEa. Aan de formatrichtlijnen uit deze twee documenten dient u zich te houden."

    Vraag 2:
    "Hoe moet ik de wijzigingen van mijn monitoringsprotocol in het emissieverslag weergeven?"

    Antwoord:
    "Bij het emissieverslag dienen zowel de wijzigingen van het monitoringsprotocol, als de tijdelijke afwijkingen van het monitoringsprotocol in de monitoring en rapportage te worden gerapporteerd. Dit kunt u doen door Hoofdstuk 3 uit uw monitoringsprotocol toe te voegen. In een actueel gehouden monitoringsprotocol moeten hierin alle wijzigingen en afwijkingen vermeld staan."

    Denkt u er verder aan om:
    ● uiterlijk 31 maart 2006 uw goedgekeurde emissieverslag bij de NEa in te dienen?
    ● uw emissiegegevens in het relevante register in te voeren en te laten goedkeuren op uiterlijk 31 maart?
    ● voldoende rechten in te leveren om de uitstoot te compenseren die uit uw emissieverslag gebleken is?

    De Bedrijvenhelpdesk Emissiehandel is ondergebracht bij SenterNovem en is bereikbaar via telefoonnummer 0900-6080600 (10 eurocent per minuut). De helpdesk is elke werkdag geopend van 9 tot 12 uur. Vragen kunnen ook worden ingestuurd via het mailformulier op www.SenterNovem.nl>Contact>Front office bedrijven.

  • Terug naar Inhoud
  • In de derde of vierde week van april organiseren VROM, EZ en VNO-NCW opnieuw een congres over emissiehandel. Tijdens dit congres zal de focus liggen op het tweede Nationale Allocatieplan voor CO2. Daarom is dit congres gepland tijdens de inspraakperiode van dat tweede allocatieplan, die medio mei eindigt. Net als bij het congres 'Emissiehandel, Balans opmaken en vooruit kijken', dat in oktober 2005 werd gehouden, komen naast het allocatieplan ook andere onderwerpen op het gebied van emissiehandel aan bod. EZ, VROM en VNO-NCW zijn van plan om tweemaal per jaar een congres over emissiehandel te organiseren.

  • Terug naar Inhoud
  • Deze nieuwsbrief wordt aan u verstuurd door de ministeries van EZ en VROM en door VNO-NCW, die gezamenlijk de Kerngroep CO2-Emissiehandel vormen. De nieuwsbrief staat onder redactie van Ecofys Publishing (eindredacteur Rolf de Vos).